Nieuwe gevechtsvliegtuigen? Onverantwoord beleid.

De volgende regering zal beslissen of nieuwe gevechtsvliegtuigen koopt. Prijskaartje: tussen 4 en 6 miljard. In aanloop naar de verkiezingen nemen de politieke partijen stelling in. Daarbij slaan ze een fundamenteel debat over: waar willen we met de Belgische defensie naartoe? En hebben we daarvoor echt peperdure gevechtsvliegtuigen nodig?

De huidige F-16's hebben tussen 2023 en 2028 hun maximaal aantal vlieguren op de teller. Daarna worden ze uit roulate genomen. Als de regering kiest om ze te vervangen, dan komen vijf toestellen in aanmerking: Rafale, Eurofighter, F-18 Hornet, JAS 39 Gripen New Generation, F-35 (Joint Strike Fighter).

Voor defensieminister De Crem is het duidelijk: een leger zonder gevechtsvliegtuigen wordt irrelevant, de aankoop van nieuwe gevechtsvliegtuigen is onvermijdelijk. Hij steekt zijn voorkeur voor de F-35 niet onder stoelen of banken. In een door Wikileaks gelekt verslag van een gesprek met de Amerikaanse ambassadeur in 2009 stelt hij dat België de F-35 moet kopen, nadat de ontwikkeling ervan is afgerond.

De aankoop van circa 40 nieuwe gevechtsvliegtuigen, volgens experts een minimum om de huidige taken te blijven vervullen, zal naar schatting 4 à 6 miljard euro kosten. Ter vergelijking: in Nederland werd een budget van 4,5 miljard vastgelegd voor 37 F-35 toestellen – een conservatieve schatting, want de kosten in de ontwikkelingsfase lopen op. Dit is niet alleen een onverantwoord hoog bedrag in een periode van algemene besparingen. Het is een investering in destructieve oorlogsvoering en militaire interventies wereldwijd.

Industrie voert druk op

De beslissing over de aankoop is in handen van de volgende regering. Het kabinet van Defensie bereidt een dossier voor, dat de verschillende opties op een rijtje zet. Afhankelijk van die rond de onderhandelingstafel zit, wordt dit dossier inzet van hevige discussie bij de regeringsvorming.

Achter de schermen voert de bedrijfswereld de druk op. Naar aanleiding van Eurosatory, de internationale beurs voor veiligheid en defensie in Parijs, luidde de BSDI (Belgian Security and Defence Industry) in 2012 de alarmbel: “Als niet snel een beslissing wordt genomen, zal onze hele vliegtuigbouw eronder lijden omdat de sector dan niet betrokken zal zijn bij de productie of het onderhoud van de nieuwe toestellen. Bijgevolg zal ook een groot deel van de omzet verdwijnen, om het nog niet te hebben over de werkgelegenheid die op het spel staat.”

Agoria, de spreekbuis van de technologische industrie, stelt in zijn verkiezingsmemorandum: “Om tot een belangrijke industriële participatie te kunnen komen, dient een beslissing genomen te worden vóór 2016. Daarbij kan er aan herinnerd worden dat er in ons land geen luchtvaartindustrie van belang zou bestaan indien we het F16-programma met zijn directe en indirecte compensaties niet hadden gehad.”

In afwachting van een beslissing door de regering effent BSDI (Belgian Security & Defense Industry) alvast het pad en brengt ze vertegenwoordigers van de Belgische industrie en grote spelers als Lockhead Martin (JSF), Groupement International d'Entreprises (Rafale), Boeing (F-18) en Saab (Gripen) samen.

Over welke 'return on investment' gaat het? De Belgische regering kocht in 1975 116 F-16's voor 30 miljard Belgische frank, vervolgens, in 1983, 44 bijkomende toestellen voor 42 miljard frank. Daarnaast besloot ze in 1989 tot een moderniseringsprogramma dat ruim 13 miljard frank kostte. Alles samen dus zo'n 85 miljard Belgische frank, ruim 2 miljard euro.

De luchtvaartindustrie beweert dat het F-16 programma het vijfvoudige opbracht aan omzet voor bedrijven actief in de sector. Met name SABCA, Sonaca, Nexans, Asco, FN Moteurs (later Pratt & Whitney Belgium Engine Center) staken de winst op zak.

Vliegtuigbouwer Lockheed Martin sprak in 2007 nochtans zelf van economische compensaties ter waarde van 'maar' 200 miljoen euro, de federale overheidsdienst Economie bevestigde dat cijfer. Dat valt aanzienlijk lager uit dan de cijfers van de Belgische luchtvaartindustrie.

Verdienen gevechtstoestellen zichzelf terug?

In minister De Crem heeft de luchtvaartindustrie alvast een bondgenoot gevonden. Op 30 januari stelde De Crem in de Kamer dat “de vervanging van onze luchtgevechtcapaciteit eveneens een opportuniteit is voor onze luchtvaartindustrie.” Hij betreurt dat ons land beslistte om niet in het JSF-ontwikkelingsprogramma te stappen: “Iedere F-16 heeft zich minstens drie keer terugverdiend,” beweert De Crem.

De voorspelde economische effecten en impact op de werkgelegenheid zijn op zijn zachtst gezegd sterk overdreven. Daar komen ze nu in Nederland achter. PriceWaterhouseCoopers schreef in opdracht van het Nederlandse ministerie van Economische Zaken in 2008 een rapport met de titel ‘Nederlandse deelname aan het JSF programma levert 16 miljard dollar omzet en ongeveer 50.000 arbeidsjaren werkgelegenheid op.'

Nochtans becijferde het Centraal Planbureau al in 2001 dat er netto geen extra arbeidsplaatsen bijkomen. Het Bureau herhaalde dat in een contra-expertise uit 2009 waarin ze de optimistische voorspellingen kritisch bekeek. Die liet aan duidelijkheid niet te wensen over: “De totale werkgelegenheid in Nederland zal waarschijnlijk niet toenemen door het JSF-programma.”

Daarom stemde de Tweede Kamer in 2012 een motie waarin oordeelt dat “verdere investeringen in het JSF-project onder de huidige omstandigheden niet langer financieel verantwoord zijn” en vraagt om uit het programma te stappen.

De vergelijking met de F-16 klopt dan ook niet. De toestellen die de F-16's zouden kunnen vervangen staan al in een veel verder stadium van ontwikkeling. Daardoor heeft de industrie de 'return on investment' verbonden aan de eerste fasen van de ontwikkeling al mislopen.

Dat zien ook voorstanders van nieuwe gevechtsvliegtuigen in. Sven Biscop, verbonden aan het Koninklijk Instituut voor Internationale Betrekkingen, stelt in een interview met MO*: “België komt te laat om uit de aankoop van nieuwe gevechtsvliegtuigen nog echt een groot industrieel voordeel te halen. We kopen sowieso toestellen van de plank, dus ik weet niet of veel compensaties mogelijk zijn. Daarom zijn er in Nederland veel klachten over het F-35-dossier: er valt weinig aan te verdienen omdat de VS de technologie te veel afschermen.”

Veel af van de mate waarin de bedrijven die de toestellen ontwikkelen hun technologie en knowhow willen delen met de onderaannemers. En die schijnen daar steeds minder toe bereid te zijn: opnieuw een flinke hap uit de beloofde terugverdieneffecten.

Terwijl de beloofde 'return' vermindert, stijgt de aankoopprijs en loopt de ontwikkeling van de JSF steeds meer vertraging op. Dat doet verschillende NAVO-landen terugkrabbelen. Canada beslistte om de aankoop van F-35's een tijd lang op te schorten, onder andere omwille van onduidelijkheid over de kosten. Denemarken besloot de geplande aankoop te herzien en pas in 2015 definitief te beslissen. De Nederlandse Rekenkamer deed haar beklag over “aanzienlijke vertragingen en kostenoverschrijdingen.” Het Verenigd Koninkrijk beslist waarschijnlijk pas in 2015 definitief, maar schijnt de gepland aankoop terug te schroeven van 138 tot 48 toestellen.

Tenslotte is de F-35 behalve extreem duur in aankoop, ook bijzonder duur in onderhoud. Het Nederlandse Ministerie van Defensie raamde de exploitatiekosten in 2012 voor dertig jaar op 13,567 miljard euro. Politici die de prijs willen drukken door de afschrijving van nieuwe toestellen over tientallen jaren te spreiden, komen dus bedrogen uit.

Voor de landen die in het ontwikkelingsprogramma van de JSF zitten vallen de terugverdieneffecten  ernstig tegen. Hoe geloofwaardig zijn dan de beloofde terugverdieneffecten voor landen die nieuwe gevechtstoestellen 'off the shelf' willen kopen? De beweringen van Pieter De Crem en van de luchtvaartindustrie missen dan ook elke grond.

Kernwapens

Minister De Crem benadrukt in de media dat dit dossier los staat van de kernwapenkwestie. Nochtans is die link er wel degelijk. De VS zijn van plan om de B61 kernwapens, waarvan er een 20-tal in Kleine Brogel liggen, te moderniseren – een upgrade die 10 miljard dollar kost. De nieuwe B61 krijgt een staartstuk mee waardoor het een nucleaire precieziebom wordt. De eerste bommen van dit nieuwe type zouden in 2019 of 2020 ons land binnengevlogen worden.

Als België haar nucleaire taak in de NAVO wil blijven spelen, dan komt alleen de F-35 in aanmerking om de F-16 te vervangen. In theorie kunnen ook de andere toestellen aangepast worden om de B61 kernbom te vervoeren, maar die aanpassingen zijn peperduur en op dit moment ook niet voorzien. In elk geval zullen dan ook de huidige F-16's aangepast moeten worden om met de nieuwe kernbom, inclusief staart, te kunnen vliegen.

In die zin maakt de keuze voor de F-35 het gemakkelijker om ook de Amerikaanse kernwapens hier nog een tijdje te houden. Dat Duitsland kiest voor de Eurofighter komt in feite neer op een uitdoofscenario: als Duitse piloten niet langer met de kernwapens kunnen vliegen, zijn ze zinloos en zullen ze weggehaald worden.

Een nieuwe, meer accurate kernbom in combinatie met een vliegtuig dat radars kan omzeilen, betekent een serieuze verhoging van de nucleaire slagkracht van de NAVO. Dat staat haaks op alle initiatieven om het aantal kernwapens in de wereld te verminderen en is een verkeerd signaal aan andere landen.

Waar hebben we gevechtsvliegtuigen voor nodig?

De politieke partijen die er nu voor kiezen de gevechtsvliegtuigen te vervangen, slaan een fundamentele stap over: een democratisch debat over de toekomst van de Belgische defensie. Hoe moet het Belgische leger eruitzien de komende jaren? Welke rol zien we ervoor weggelegd? En wat mag ons dat kosten?

De keuze voor gevechtsvliegtuigen is automatisch ook een keuze voor een specifiek type missies, namelijk de militaire interventies zoals we die de afgelopen jaren gezien hebben in Afghanistan en Libië.

De Belgische F-16's namen deel aan de NAVO-interventies op de Balkan. Vier toestellen werden vanaf 1996 ingezet voor operatie 'Joint Falcon' boven Bosnië-Herzegovina. Voor 'Allied Strike', boven Kosovo, stelden we in 1999 twaalf toestellen ter beschikking.

Minister van Buitenlandse Zaken Reynders evalueerde in een speech voor het Koninklijk Hoger Instituut voor Defensie de uitkomst van die interventies: “Het voorbeeld van de Balkan illustreert de beperkingen van een beleid dat niet in staat is om op duurzame manier de wortels van conflicten aan te pakken. Het beleid van Europa ten aanzien van het conflict in Joegoslavië was eenvoudigweg rampzalig. Ze is er nog steeds niet in geslaagd de voorwaarden voor duurzame vrede te creëren.” Hebben we daar gevechtsvliegtuigen voor nodig?

De Belgische regering stuurde zes F-16's naar de NAVO-interventie Afghanistan. Ze gaat er prat op dat we daarvoor binnen de NAVO op veel waardering kunnen rekenen. Ter gelegenheid van de tiende verjaardag van de oorlog stelde Charles-Henri Delcour, tot begin 2012 de stafchef van het Belgische leger, op Radio 1: “Ik denk dat het zo’n beetje overal is foutgelopen. Men kan het niet echt hebben over een overwinning. Alle ingrediënten voor een burgeroorlog zijn aanwezig.” Is dat de 'internationale rol van betekenis' die we willen spelen?

In 2011 bombardeerden Belgische F-16's Libië. Wat eerst een beperkte interventie moest zijn met gerichte bombardementen, officieel om Libische burgers te beschermen, werd al snel een poging tot 'regime change'. Kadhafi werd gedood, de gewapende rebellen kwamen aan de macht, daarna trok de NAVO zich terug. Vandaag bestrijden gewapende groepen elkaar en de centrale regering om politieke macht en inkomsten uit olie. Het land is een lappendeken, verdeeld onder gewapende milities. Besteden we die 4 of 6 miljard dan niet beter aan iets anders?