De vraag is niet 'of', maar 'waarom' België burgerslachtoffers maakt in Irak

Zaterdag maakte De Morgen bekend dat Belgische F-16's eerder dit jaar in Irak betrokken waren bij twee incidenten waarbij burgerslachtoffers zijn gevallen. België vecht daar samen met een internationale coalitie tegen IS. Dat er burgerslachtoffers vallen in een oorlog die voor een belangrijk deel vanuit de lucht gevoerd wordt, is geen verrassing. De vraag is waarom ze gevallen zijn. Hoe draagt de Belgische luchtoorlog bij aan een duurzame oplossing voor het conflict in de regio?

We gaan ervan uit dat Belgische militairen er al het mogelijke aan doen om bij de uitvoering van hun opdracht burgerslachtoffers te vermijden. Maar we moeten niet rond de pot draaien. België dropt bommen van minimum 500 pounds, niet zelden boven dichtbevolkte gebieden, daar vallen onvermijdelijk slachtoffers bij. De veiligheidsperimeter (voor bevriende troepen op de grond) voor zo'n bom varieert tussen de 100 en de 400m. Op de korrelige zwart-wit beelden vanuit de lucht die gebruikt worden voor het inschatten van het risico vooraf en de controle achteraf is een gebied van die straal onmogelijk met zekerheid te controleren. Uit de statistieken van de VN en de VS over luchtaanvallen boven Afghanistan, Pakistan en Jemen blijkt dat gemiddeld één burger wordt gedood voor elke 7 a 10 luchtaanvallen. Kortom, als België erin geslaagd is om bijna 900 bommen te droppen zonder slachtoffers te maken, hebben we de “schone oorlog” uitgevonden waar elke politicus op zit te wachten.

Helaas vertelt het onderzoek vanop het terrein een ander verhaal. Volgens schattingen van Airwars maakte de coalitie al minimum 4887 burgerslachtoffers. Bijna 5000 verwoeste families die niet weten wie de bom dropte en waarvoor de coalitieleden de verantwoordelijkheid staalhard blijven ontkennen. De bombardementen vanuit de lucht dragen bij aan de dagelijkse terreur, aan de vluchtelingenstroom en aan het rekruteringspotentieel van lokale gewapende groepen. Onze regeringen moeten niet alleen verantwoordelijkheid erkennen voor de slachtoffers van deze luchtaanvallen, ze moeten ook stilstaan bij de gevolgen op lange termijn.

Richard Barrett, voormalige chef van het counter-terrorisme bij de Britse geheime dienst MI6 schreef een paar maanden geleden: 'De strategische doelstellingen van onze militaire inzet in Syrië zijn even obscuur als ze dat in Libië, Irak en Afghanistan waren.' We hebben er een paar dure militaire operaties opzitten, er zijn ontzettend veel slachtoffers gevallen en miljoenen mensen zijn op de vlucht geslagen. We hebben geen enkele oorlog 'gewonnen', de operaties hebben meer problemen gecreëerd dan ze hebben opgelost. Er ging weinig debat vooraf aan de beslissing om militair te interveniëren in Libië, in Irak of in Syrië. Wat moesten deze operaties bereiken? Wat moest vermeden worden? Welke lessen zijn er getrokken uit gemaakte fouten?

Ondanks de mode van deugdelijk bestuur, transparantie en overleg, wordt de fog of war in België alleen maar dikker. Gevraagd naar de doelstelling van de lopende operatie in Irak en Syrië verwijst defensie door naar de administratie van de coalitie. Bij gebrek aan transparantie over het verloop van de operatie gebeurt de opvolging ver van het publieke debat. Het is al van 1997 (Rwanda) geleden dat er in het Belgisch parlement een degelijke, geïnformeerde evaluatie gebeurde van een militaire operatie. Wie bij dat alles bemerkingen bij heeft, wordt afgeschilderd als een vijand van de staat. Nochtans is een open debat geen luxe, we kunnen het ons gewoon niet permitteren dit nog langer uit te stellen. Hoe we extremistische groepen als IS of Al-Qaeda kunnen ondermijnen mag dan onduidelijk zijn, het is ondertussen duidelijk dat wat we sinds 2001 doen, niet werkt.

Deze opinie verscheen op maandag 14 augustus in de Morgen